Op aarde

Op aarde (column uit 2015)

Ik duw het voorwiel in één van de standaards, mijn fiets is de enige. Een paar meter verder, op een bankje in de zon, zitten drie jonge meiden voor het rouwcentrum. De ernstige gezichten passen niet helemaal bij hun outfit, die weliswaar gepast zwart, maar ook best sexy is.

 

Mijn fantasie staat altijd standby en springt aan: ze hebben misschien een leeftijdgenoot begraven.

Waarom denk ik dat eigenlijk? Is het het zwart -de kleur van het laatste afscheid- tegen die frisse jonge huid, een nadrukkelijke perspectief op vruchtbaarheid en voortzetting van het leven? Of is het mijn verdrietige ervaring dat de toekomst voor sommige jonge mensen abrupt van tafel wordt geveegd, net zo onverbiddelijk als voor mensen die hun toekomst tot en met het laatste restje geconsumeerd hebben?

 

Op de plaats waar mijn zus en ik drie maanden geleden onze broer de auto met de urn van onze moeder zagen parkeren, staat nu een andere, en een lege draagbaar op wieltjes. Bij ons was toen een kruiwagen klaar gezet, maar de beheerder kon de bescheiden steen met urn gewoon in zijn handen dragen.

 

Ik pak de bloemen voor mijn moeder en loop naar haar urnentuintje. Niet helemaal rechtstreeks trouwens. Bij de verdeling van het erfelijk materiaal ten tijde van mijn conceptie won mijn vader waar het ging om oriëntatievermogen. En dus loop ik vaak verkeerd en zelden goed.

 

Mijn moeder staat, nu ze deze aarde verlaten heeft, met haar urn boven aarde. Toen ze hier nog was verkoos ze het om later ‘toch maar gecremeerd’ en niet begraven te worden. ‘Als je hoort van die troep in zo’n kist…’ Van een eigen plekje zag ze toch maar niet af, ‘maar ik wil niet in zo’n muur’. Dus het werd een tuintje.

De lange rode roos die ik er tijdens de bijzetting neerzette is nu onherkenbaar als bloem, maar als ik hem uit de vaas pak, blijken de stekels van de steel nog goed te werken. Het heeft deze mooie zomer ook overtuigend geregend. Ik neem me voor om, behalve handschoenen, de volgende keer ook een stoffer mee te nemen om de opgespatte zanderige aarde rond de urn op de gedenkplaat weg te vegen. Boven aarde is boven aarde, toch?

 

Als ik weer bij mijn fiets kom, kijk ik hoe ver de nazit is. Ik zie wat ouderen en een klein meisje. De meeste mensen zijn al weg of staan op het punt om te vertrekken.

Daardoor voel ik me ietsje geruster in mijn ongemak: wanneer ik nú met mijn rode blouse en spijkerbroek even van de sanitaire voorzieningen gebruik ga maken, val ik wel op, maar voor minder mensen.

 

Er zijn daar meer dames voor een snelle visite en ik herken in hun doen en laten die merkwaardige opluchting die zich meester maakt van mensen na het officiële afscheid van hun doden.

 

Er wordt weer hard gepraat, de klus is geklaard, het leven gaat door. De volgende stap is samenkomen en consumeren op een levendige plek op deze mooie aarde.

 

“Op naar de Kagerplassen!”, hoor ik een vrouw zeggen. Dat bedoel ik.

 

Als ik naar huis fiets besluit ik dat het een afscheid was van iemand die een lang leven heeft mogen hebben, zoals mijn moeder.

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *