Gestoord

Gestoord

Gestoord (2016) (ill. pixabay)

Er is maar één manier om er snel achter te komen hoe afhankelijk je bent van internet en dat is een stevige storing waardoor je enige tijd verstoken bent van Wifi.

 

Ik heb het genoegen regelmatig in een prachtig dal zonder mobiel bereik te mogen verblijven, waar je heerlijk kunt wandelen -als je tenminste niet thuis moet blijven om de wifi-monteur binnen te laten.

Want ja, deze keer ben ik óók nog afgesneden van het wereldwijde web: elke punt-en-el en dot.com is een onbereikbare bestemming. Oef.

 

Ligt mijn afhankelijkheid op het professionele vlak?

Het schrijven van deze column beschouw ik als mijn werk. Maar als ik het resultaat later kan insturen dan gepland is dat geen ramp. De wereld draait ook zonder mijn bijdrage daaraan wel door.

Sterker: mooi toch!

Want het creatieve schrijfproces dat noodzakelijkerwijs vooraf gaat aan publicatie is juist gebaat bij een beetje digitaal isolement, zou je denken.

 

Eh..nee.

 

Op het moment dat ik mijn laptop alleen als tekstverwerker kan gebruiken word ik daar heel gefrustreerd van.

Alsof je in een prachtige auto zonder motor zit.

Of dat je tijdens een stroomstoring telkens de lichtschakelaar aandoet.

 

Het gemak dient de mens, bij ongemak blijkt hijzelf de dienende slaaf te zijn.

 

Maar hoe hindert dat dan mijn creatieve proces?

 

Nou, bij elke gedachte over wat ik wil schrijven staat -op de achtergrond, maar duidelijk hoorbaar- mijn verslaafde ‘ik’ er door heen te toeteren:

E-mail! Facebook! De Correspondent! Volkskrant! Schoolbank! Wikipedia!

 

Duidelijk gevalletje van uitstelgedrag.

 

Dat ik daar aanleg voor heb, wist ik al sinds de Prehistorie.

Ik moest huiswerk maken en studeren in de jaren dat een computer nog een ruimte besloeg van minstens 3000 kubieke meter. Die ruimte hadden we thuis niet, dus werd ik nog gewoon afgeleid door plantjes water geven, kranten opruimen of weemoedig uit de ramen kijken. En die dan maar eens gaan lappen en zemen.

 

Zulke uitvluchtjes liggen allemaal op het huishoudelijke vlak. Dat staat niet erg hoog aangeschreven en daarom heb je eerder door dat je gewoon smoezen loopt te zoeken.

 

Dat is nu anders.

Oké: chatten, games en Wordfeud, dat is duidelijk lanterfanten.

 

Maar al die nuttige dingen als e-mail (‘je post bijhouden’), fora (‘het publieke debat is noodzakelijk’), Facebook (‘sociale contacten bijhouden’), on-line media (‘het nieuws volgen’), surfen (‘informatie inwinnen om te kunnen schrijven’) Marktplaats (‘duurzaam winkelen en stukken goedkoper!’) en Funda (‘je weet maar nooit….’): allemaal heel noodzakelijk en zinvol, ja.

En uitstelgedrag.

 

Maar als de ontwenningsverschijnselen op hun hoogtepunt zijn en de dorst naar externe prikkels bijna ondragelijk wordt, overkomt mij een door God gezonden visioen: Teletekst!

 

Normaal kijk ik neer op dat primitieve medium met die abominabel slecht geformuleerde nieuwsberichten in die lelijke gele letters op een zwarte achtergrond, met die pagina’s die niet met hun nummers kloppen of waar je uren op moet wachten.

Maar beter iets dan niets.

 

En de tv doet het wel, godzijdank.

 

Ik ben gered.

 

 

 

Luisterangst

Luisterangst

Luisterangst (2016) (ill. pixabay?)

Een paar jaar geleden kwam één van mijn bekenden tijdens de borrel met een lullige opmerking over Marokkanen. Ik voelde mij erg ongemakkelijk.

‘Oh! Discriminatie! Gevaarlijk! De kop indrukken! Nu!’

Gevalletje spreekdrang van mijn kant.

 

Maar ik wist eigenlijk niet wat ik moest zeggen, tegen een bekende die recht tegenover me zat en eigenlijk best wel een aardige vent was. Ik mompelde wat van ‘nou…’

Daarna kwam ook nog zijn aardige vrouw -die het probeerde glad te strijken- met ‘joh, het zijn toch óók mensen’.

Voor mijn gemoedsrust legde ik haar woorden maar uit als ‘joh, niet generaliseren, ze zijn niet allemaal zo.’ En daar lieten we het dan maar bij.

 

Vanachter je computer verontwaardigd over onbekende anderen oordelen -‘discriminatie!’, ‘seksisme!’, ‘vooroordelen!’, ‘racisme!’ en het momenteel ook erg populaire ‘dom!’- is niet zo ingewikkeld.

Maar in het echt met elkaar samenleven en een gesprek voeren met bekenden die een jou onwelgevallige mening erop na lijken te houden vind ik in de praktijk wel lastig.

 

Nou ben ik van het type dat ook nog eens graag vriendjes blijft met iedereen. Ik voel me prima bij duidelijkheid, maar niet bij polarisatie.

Dat heeft iets slaps (‘pleaser’), een voordeel is wel dat je geduldig naar overeenkomsten met anderen blijft zoeken.

 

En wat ik dan bijvoorbeeld vind, is angst.

 

‘De rechtse boze medemens is eigenlijk bang’, hoor je wel eens van links.

En daar een beetje meewarig achteraan ‘bang dat zijn veilige overzichtelijke  wereldje instort’.

 

Maar kijk nou eens naar de linkse Gutmenschen -waar ik mezelf toe reken.

Die zijn toch óók bang dat hun veilige overzichtelijke wereldje instort? Dat het ze uit de klauwen loopt, dat bijvoorbeeld racisme de boventoon gaat voeren?

 

Ikzelf ben het allerbangst dat we elkaar kwijtraken en dat een volksmenner met een grote bek en slechte plannen er met de macht vandoor gaat.

Van polarisatie kun je iedereen de schuld geven, maar je l a t e n polariseren doe je toch echt zelf.

Dus ik stel voor om dat niet meer te laten gebeuren.

 

Wij burgers gaan maar weer eens naar mekaar luisteren, on-line en off-line.

En dan zoveel mogelijk dat laatste, in het echt, hè: in onze huiskamers, buurthuizen en op georganiseerde burgerfora.

“Vertel”. En dan echt luisteren en oprechte vragen stellen.

 

Voor de duidelijkheid: echt luisteren is niet hetzelfde als op je beurt wachten en dan retorische vragen stellen als “Zie jij nou écht niet dat je een niet-empathische racist bent?” en “Zie jij nou écht niet dat je een politiek-correcte wegkijker bent?”

 

Linkse en rechtse stokpaardjes staan meestal te trappelen van ongeduld om de ander te vertellen hoe fout diens standpunten zijn.

 

Maar onlangs heb ik de ontdekking gedaan dat stilte in een gesprek niet zo eng is.

Ik ben niet meer zo bang dat de ander dan zou kunnen denken dat je hem door jouw zwijgen gelijk geeft.

 

‘Wie zwijgt stemt toe’? Dacht het niet.

‘Wie zwijgt die luistert’. Als het goed is.

‘Wie zwijgt denkt na’. Als het goed is.

 

Ik heb goede hoop dat wie zijn verhaal kan doen en wie zich gehoord weet, óók meer bereid is tot luisteren en nadenken als de ander zijn verhaal doet.

En dan blijken we uiteindelijk misschien wel minder uit elkaar gedreven te zijn dan we dachten.

 

Een mooie handreiking om weer met elkaar in gesprek te komen vond ik deze open brief van hoofdredacteur Rob Wijnberg van De Correspondent. Lees vooral ook deze antwoorden van PVV-stemmers en anderen.

 

Wij kunnen het maar beter weer eens gewoon gaan proberen met elkaar.

 

Zonder luisterangst.

 

 

 

 

 

 

 

Feminisme en navelstaren

Feminisme en navelstaren

Feminisme en navelstaren (2016) (foto: de Rijk, speelgoedmuseum Praag)

Ooit had ik een buurvrouw die nogal dominant was.

Ze bezat de gave om alom aanwezig te zijn.

Vóór in haar huis, in een stoel voor het raam: je wist niet hoe snel je voorbij moest schieten.

Sommige mensen ‘tijgerden’ op het trottoir onder haar raam voorbij, maar zo lenig was ik niet. Bovendien hielp het niet, want  schijnbaar tegelijkertijd bevond ze zich in de achtertuin, commanderend over de schutting.

 

God zag alles, en als hij even sliep of op zoek was naar zijn bril, nam deze buuf zijn taak over: ze bemoeide zich óveral mee.

God sprak niet, zij daarentegen wel.

Ze verstond bovendien de kunst om te praten zonder tussendoor adem te halen, zodat je er geen woord tussen kreeg.

Ik kreeg de zenuwen van haar.

 

Nou, dát gevoel -dat er tot vér voorbij de grenzen van je privacy op je gelet wordt, dat niks mag en alles moet-, dat heb ik nou ook met de kledingvoorschriften van feministen.

Waarbij dan nog komt dat ik ze niet snap.

Als je dat laatste zegt, krijg je te horen dat er meerdere stromingen zijn.

Die dan wel één ding gemeen hebben: zíj weten hoe het zit en ík heb het maar te begrijpen.

 

Neem nou die column van feministe Asha ten Broeke.

Van haar mogen basisschoolmeisjes experimenteren met naveltruitjes zoveel ze willen en de school die -om misplaatst navelstaren te voorkomen- de truitjes verbiedt, lijdt volgens haar aan sletvrees. Want dat laatste is nu de feministische mode: sletterig is in.

 

Nou is de reden die de betreffende directrice geeft wel treurigmakend: ‘Ik wil niet in de situatie komen dat een meester de hele dag uitkijkt op meisjes zonder bh in strakke hemdjes.’

Meesters? Die zijn er toch nauwelijks? Trouwens: waarom alles nou altijd weer op die mannen gooien? Alsof er geen lesbische vrouwen in het onderwijs werken.

 

Maar dan nog.

Je hebt toch, los van seksuele frustraties van wie dan ook, nog zoiets als ‘passende kledij’?

Toen, meer dan twintig jaar geleden, mijn dochters in naveltruitjes en korte rokjes naar de middelbare school gingen, hintte ik voorzichtig dat ze naar school gingen, niet naar het strand.

 

Ik weet niet hoe het afliep, maar ik vermoed dat ze gewoon bleven dragen wat ze wilden, of liever, wat hun ‘peers’ ze voorschreven.

Lees ‘Het misverstand opvoeding’ van Judith Harris, of desnoods alleen de inleiding, en U weet wat ik bedoel.

Maar ik had het in ieder geval geprobeerd.

 

Overigens vind ik een mannelijke leerkracht in korte broek -lees harige benen- en blote voeten in sandalen óók niet gepast gekleed.

Maar de strijd ‘passende kleding’ en ‘esthetisch’ verlies je altijd, want alles moet kunnen, toch?

 

Nu de feministische dresscode.

In mijn jonge jaren moesten vrouwen -volgens feministen- beschermd worden tegen seksuele exploitatie dóór en wensen ván de hongerige man.

Feministen uit de jaren zestig en zeventig liepen derhalve bh-loos in tuinbroeken.

En mevrouwen in mantelpakjes met daaronder zorgvuldig uitgekozen lingerie van Hunkemöller-Lexis waren in hun ogen kapitalistische verraadsters die met hun onderdrukker naar bed gingen.

 

Ikzelf gaf niet om kleren dus ik zal er wel slordig genoeg hebben uitgezien voor een feminist.

Wél kroop ik met mijn onderdrukker onder de wol omdat ik het te ver vond gaan om gelegenheidslesbo te worden.

Toen daarvan natuurlijk kindertjes kwamen, kreeg ik het erg druk. Ik lette even niet op, en opeens zag ik om mij heen totaal anders geklede zusters in onze vrouwenstrijd.

 

De Zeedijk-look had, met name bij carrièrefeministen, zijn intrede gedaan -knalrode lippen, décolleté, kort rokje, zwarte nylonkousen en pumps of hooggehakte laarzen.

Zoals gezegd, ik gaf niet om kleding. Maar vervreemd van mijn zusters ben ik weer, net als vroeger, voor mezelf begonnen.

 

Want toen ik een jaar of zeventien was, sprak ik van de vrouwenstrijd als van een guerilla. Daarmee bedoelde ik dat je emancipatie zélf moest doen:

 

En vooral niet discussiëren of vergaderen, en al helemáál niet over kleren.

Gewoon je werk doen, in een bescheiden baantje.

En lekker kinderen krijgen, al was -én is- ouderschapsverlof en betaalbare kinderopvang uitermate kut geregeld.

 

Verdorie, dáár hadden die goed geklede dames in hun topbanen en hoge politieke functies zich wel eens wat meer voor mogen inspannen!

 

Maar échte navelstaarders zien zoiets niet.

 

 

Heimwee

Heimwee

Heimwee (2016) (foto: de Rijk)

‘Soms heb ik heimwee naar een tijd die ik nooit heb meegemaakt’, zei één van mijn dochters eens.

Nostalgie is niet alleen voor oudjes.

 

De aanloop naar onze recente verhuizing bracht, niet onverwacht, regelmatig heimwee bij mij naar boven. Naar de tijd die ik wél had meegemaakt dan.

 

Je hele leven gaat je door de stijve handen, de ouderwordende rug bukt net iets moeizamer onder de balken op zolder en het evenwichtsgevoel op de trap daarnaartoe is ook niet meer wat het ooit was.

 

Zo neem je, al opruimend, niet alleen afscheid van je spullen en het leven dat er bij hoorde, het is ook een beetje toedeledoki naar een jong en vitaal lichaam.

 

Inderdaad, het mooie comfortabele huis is jong en heeft alles van een nieuw begin, dat hield ik mij een jaar lang voor ogen. En ja, dat was een troostrijk vooruitzicht. Maar in de noodzakelijke renovatie en verbouwing is mijn lijf niet meegenomen.

 

Nou had ik behalve de eigen aannemer ook Marijke Helwegen kunnen bellen om naar die van haar te vragen, maar daarvan zag ik af: lichaamsrenovatie vind ik eng, duur, niet mooi en dood ga je toch.

 

Ik ben heel tevreden nu want ik woon mooi en mijn lijf is ook prima, niks meer aan doen.

 

In die vredigheid mijmer ik of er een etymologisch verband is tussen memories en mijmeren: gaan mijmeringen uitsluitend over herinneringen?

Is peinzen hetzelfde als mijmeren, maar dan met een frons op je voorhoofd?

Krijg je heimwee van mijmeren, of mijmer je omdat je heimwee hebt?

 

Bij mij komt heimwee af en toe zomaar om het hoekje steken.

‘Staat bij de voordeur’, zei levensgezel L. toen ik iets zocht in ons nieuwe huis.

Beeld van de deur die decennia lang onze voordeur was: AU!

 

Tevreden zijn met het nu en toch een beetje heimwee hebben: het kan.

 

 

 

 

 

 

 

Klimaat

Klimaat

Klimaat (column uit 2016)

Frustratie: de zoekmachine is helder en duidelijk: mijn woordgrapje debatklimaat bestaat al.

Nou, eerst dan maar even over het klimaatdebat -dat van de smeltende ijskappen bedoel ik nu.

De vraag wie de oorzaak is van het toekomstige waterballet -wij, met onze CO2, of het klimaat zelf, met zijn stemmingswisseling- is natuurlijk razend interessant.

Maarrrr -hier volgt een gratis advies: is het niet handiger om gauw te starten met plannetjes die het mogelijk maken dat we met zijn allen op een wat hoger gelegen stukje aarde passen?

Ik bedoel, het smeltpunt maakt het niet uit wat de oorzaak is van zijn wezen, dat gaat gewoon door met van veel ijs nog veel meer water te maken.

Ik hoor het graag.

 

Nu het andere klimaat, dat van het publieke debat.

Moet je dat nou verhit of ijzig kil noemen?

Vóór we dáár nou weer over gaan kibbelen (en dat dan ondertussen de beschaving het water tot de lippen stijgt en de menselijkheid jammerlijk omkomt in modderstromen van elkaar met bagger gooiende zoogdieren met een denkvermogen dat ze niet gebruiken): mijn voorstel is om het onaangenaam te noemen.

En mijn volgende voorstel is om het aangenaam te maken.

 

Een goed gebruik in de bloeiende ruziesector is het leggen van de verantwoordelijkheid voor onaangenaamheid bij de ander.

Nou kan ik me dat bij een uitspraak als “Ik hoop dat u verkracht wordt door een islamiet” wel een klein beetje voorstellen.

Maar om dan als zelfbenoemde weldenkende op een openbaar forum over de andere club te spreken als “overvoed en opgehitst volk dat gewoon eens een tijdje in het donker op een bootje in het IJsselmeer zou moeten dobberen om tot bezinning te komen”, dat vind ik net zo hufterig.

Dus zoiets gaat het hem wat mij betreft niet worden.

 

Geostrateeg Zbigniew Bresinsky zei ‘Onderhandelen doe je met je tegenstander, niet met je vrienden’. En zo is het.

We kunnen veel leren van goede diplomaten, een onderschat beroep.

Ik heb het dus niet over dit soort , maar over bijvoorbeeld Sigrid Kaag, VN-diplomate .

De diplomatieke middenweg is niet slap of laf, die is moedig.

 

“Ja maar die anderen zijn zo dom!”

Nou én? De zelfbenoemde weldenkende medemens neemt mij een beetje al te makkelijk toevlucht tot de IQ-smoes.

Er zijn wel andere gebieden waarop je een medemens kunt aanspreken, ik vind het tamelijk eh.. dom om dat niet te bedenken.

Doe je best maar eens een keer, slimpie, het komt je niet allemáál aanwaaien!

O pardon, ik moet zelf ook nog veel leren…

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Vliegen

Vliegen

Vliegen (column uit 2016)

‘Dit is een overstap, we zijn toch al gecontroleerd op Schiphol?’

Ik zeg het niet, maar misschien leest ze de onaangename verrassing van mijn gezicht af. En vertaalt die als ‘profiel verwarde vrouw’. En die zijn gevaarlijk.

 

Hoe dan ook: als ik op London Gatwick zonder broekriem, horloge, sleutelbos, jasje én zonder afgaande bellen en toeters uit het poortje ben gestapt en achter Lief L. aan wil lopen, word ik tegengehouden. En hij mag door.

“Oh no, madam, take your shoes off!”

Dat doe ik braaf, me afvragend of ik toch iets gemist heb van die vier miljoen instructies die een simpele vakantieganger ‘voor zijn eigen veiligheid’ krijgt als hij naar zijn bestemming gaat vliegen.

 

Elke schoenwinkel heeft op zijn minst een krukje, maar die service ontbreekt hier.

Dus wat doet deze 65jarige: evenwicht zoeken, bukken, evenwicht bewaren, veters los, evenwicht bewaren, uit mijn schoeisel stappen, evenwicht bewaren.

En daar staan we dan op de vloer: ik op sokjes en mijn schoentjes met open mond van verbazing.

 

“No, give them to me!”, zegt ze. Zij, ja.

Heel tegemoetkomend worden mannen door mannen en vrouwen door vrouwen afgeblaft en daarna gevisiteerd. Met homoseksualiteit wordt geen rekening gehouden en ach, laat ook maar: vernederend is het toch wel.

 

Ik buk maar weer en geef mijn schoenen aan en hoe ik inmiddels denk over deze mevrouw bespaar ik u, want we houden het netjes.

Mijn schoenen wordt verder geen blik waardig gekeurd en tijdens haar betastingen – nee tut, daar ben je al twee keer geweest en bij mijn borsten ook- dacht ik voor de afleiding maar aan etnisch profileren.

 

Lief L. ziet er namelijk gewoon uit als ‘de witte man’: lang, blauwe ogen en wit haar. Maar dat zal wel blond zijn geweest, denken ze dan, dus doorlopen maar.

 

En ik juist niet allemaal.

Dus zou ik wel eens een terroriste kunnen zijn, logisch toch?

 

“Waar bleef je nou?”, vraagt de witte man, riskant, maar ik hou me in, want hij kan het ook allemaal niet helpen.

” Alleen omdat ik donker ben, wedden?” Ik ben kwaad, mede namens alle donkere mensen die er altijd weer overal uitgepikt worden ‘voor uw en onze veiligheid.’

 

Maar later in de vakantie, zie ik mijzelf in de spiegeling van een ruit: daar loopt een ouwe hippie.

Loshangend halflang haar, beetje grijzend, in denim gekleed -het uniform van de jaren zeventig-, bril met donkere glazen.

Kan niet anders: gebruiker.

En dan een leuk centje bijverdienen met hasj-smokkel, dachten ze daar op Gatwick zeker.

 

De witte man heeft trouwens een best wel versleten broek aan.

Voor hem kopen we op Tenerife een nieuwe. Denim.

Maar hém staat dat gedistingeerd.

 

Terug vliegen we via Spanje en ik ga nooit meer naar Engeland.