Punt

Punt

illustratie pixabay

Het duurt bij de reacties op bepaalde politici nooit lang, of daar komen dan toch de ‘maar-hij-heeft-wel-een-punt-poppetjes’.

Dat was zo bij Pim Fortuyn, daarna bij Geert Wilders en nu dus bij Thierry Baudet.

Nou lijkt het me erg moeilijk om geen punt te hebben.

Met een beetje moeite -of zelfs zonder dat- valt er in deze verre van volmaakte samenleving altijd wel wat te vinden dat gezegd kan of moet worden.

Daar blijft het meestal dan bij, is mijn ervaring. Heel soms komen er nog wat punten bij een punt, onder luid applaus van de volgelingen die dan zeggen dat Hij tenminste zegt wat hij denkt. Of dat hij zegt wat je in Nederland niet mag zeggen. En het woordje taboe komt dan ook al gauw voorbij, die stoplap van de luie denker.

 

Baudet is heel speciaal.

Want hij is intellectueel en schrijft boeken en essays.

‘Joh, daar moet je wat mee doen’, zei iemand en toen ging hij in de politiek.

Het kan ook dat hij zelf zin had in iets opwindends naast al dat gedenk.

Feit is dat we nu zitten met een vragen-geen-vragen-partijleider, met volgelingen die eruit vliegen als ze wel vragen hebben en kiezers die vinden dat hij het allemaal heel goed zegt en dat nog steeds vinden als ze thuis hebben opgezocht wat het eigenlijk betekent wat hij zegt. Voor het geval u mij nou denigrerend over anderen vindt: ik moest boreale wereld óók opzoeken.

 

Ik stel natuurlijk weer veel te hoge eisen, maar wat heb ik aan Baudet en het Forum voor Democratie? En wat heeft Nederland eraan?

Laat ik voor mezelf spreken: ik kan er niks mee.

Maar het negeren van een kokette praatjesmaker -wat ik doorgaans doe- is in dit geval geen optie.

Hij mag flirten met wie hij wil, maar sommige vriendjes vind ik eng, vandaar. En zijn heimwee naar vroeger ook, eigenlijk. Bevlogen spreken over een toekomst die in het verleden ligt, gaat altijd gepaard met het terugdraaien van verworvenheden van anderen: witte man Baudet gaat niet inleveren, denk ik.

Dat is dan mijn punt.

Waterland

Waterland

Misschien is het een teken dat het niet zo goed met me gaat, maar de laatste tijd zie ik mijn land af en toe met de ogen van een buitenstaander.

Dissociatie of zo, klinkt ernstig maar het bevalt uitstekend, kan niet anders zeggen.

Doorgaans zit ik binnen tegen een beeldscherm aangezogen.

Dat biedt een venster op de buitenwereld. Zeggen ze.

Maar volgens mij is het gewoon een echt scherm: ik zie de buitenlucht -met daaronder allemaal leuke dingen- niet.

Als ik zo aan het lezen ben (ook in de papieren krant, trouwens) ziet Nederland er voor mijn geestesoog ongeveer als volgt uit: asfalt en rails waar ernstige mensen overheen racen om te werken. En baksteen, waar ze werken en slapen en internetten.

En heel soms een klein beetje leven en liefhebben.

De rest van de wereld is voor mijn geestesoog heel groot en bepaald niet op orde en bijna iedereen maakt ruzie over geld en macht en land.

De aarde warmt op en daarover maken ze dan ook nog ruzie.

Dat dus.

Maar af en toe ga ik naar de echte buitenwereld.

Zaterdag voer ik op een klipper op het Markermeer.

Want hé, was ik toch helemaal vergeten dat er ook nog water was in Nederland!

Als ik door zo’n historisch stadje aan het water naar de boot loop, zie en proef en ruik ik vakmanschap en inventiviteit.

En ik ervaar een zekere trots, al weet ik niet of het de mijne is of de originele, uitgestraald door de eeuwenoude spullen van de trotse mensen die dit lang geleden gemaakt hebben: bootjes, dijken, ophaalbruggen, knusse huisjes, stoere forten en kastelen.

Ik ben trots op mijn Hollandse waterland.

En dan dat water zelf.

Het hangt er natuurlijk wel van af met wie je vaart (dat was in orde: lieve mensen), maar op het water word ik rustig en krijg ik gewoon een ruimere blik op de wereld. Je kan natuurlijk zuchten dat je nergens meer kunt kijken zonder horizonvervuiling, maar daar ben ik niet van.

Waarom mag je aan de verre rand van de natuur niet zien wat mensen gemaakt hebben?

 

Dit is een saaie column aan het worden. Want het was ook nog heerlijk weer. Het oer-Hollandse niet-te-koud-niet-te-warm-zonnetje-wolkje-windje-weer.

En -het moet niet gekker worden- heel normaal voor de maand van het jaar hier.

 

Er verandert veel, maar er blijft nog lekker best veel hetzelfde.

Er gaat nogal wat mis, maar niet alles.

Er is werk aan de winkel, maar uitrusten kan geen kwaad, kan je weer beter werken.

 

Ik was het met mijn troebele geestesoog bijna vergeten.

 

 

 

 

(foto’s L. Jonker)