Plantenspuit

Plantenspuit

Twee schokken deze week.

Eerlijk, het was voor mij toch wel een verrassing dat Thierry De Stem van Nederland had gewonnen.

Met dank aan de publieksjury. Hoe die precies is samengesteld weet ik niet, maar ze hebben wel erg op uiterlijk vertoon gelet en hem onnoemelijk veel valse noten vergeven.

Wat verder in zijn voordeel werkte was de andere schok, de moordpartij in een Utrechtse tram. Je zou zeggen: daar wil toch niemand zijn voordeel mee doen, maar hé, winnen is niet voor watjes hè?

Dus toen de andere kandidaten volgens afspraak uit respect even niet repeteerden voor de finale, kon Thierry uithalen met zijn tranentrekker ‘Zwaar getij! Kom bij mij!’. En zo geschiedde.

 

Er zijn zoals altijd weer mensen die de reacties van politici, politie en overheid op zo’n gebeurtenis als in Utrecht overdreven vinden. Maar na een brandmelding stuur je toch ook niet eerst iemand op de brommer met een plantenspuit, omdat je geen paniek wil zaaien en het eerst even aan wil zien?

Waarschuwen voor een gewapende dader op de vlucht? Ik benader mijn medemens doorgaans onbevangen, maar er zijn grenzen en dan blijf ik graag even binnen. Bovendien: met moordpartijen als in Parijs en onlangs Christchurch nog vers in het geheugen vind ik het niet hysterisch om bedacht te zijn op meerdere daders en aanslagen.

 

De zichzelf één dag bezinnende Correspondent deed het ook weer niet goed. De redactie viel de hoon van Twitter en enkele van zijn eigen leden ten deel. Die leden zijn trouwens sowieso vreemde kostgangers: op De Correspondent bewust een gezonde maaltijd tegen de waan van de dag kiezen en tegelijk een vette bek op Twitter halen, het Walhalla van de waan.

Maar goed, de reacties op de winst van Thierry? Ik persoonlijk zie het even aan. Met de plantenspuit dus.

Vijftig jaar geleden hoorde ik een tip van vrouwelijke toeristen in Italië. Zij hadden dat attribuut bij zich om opdringerige Thierry-achtigen te laten afdruipen met een verdachte plek op de machobroek.

Daar maar eens mee beginnen.

 

(illustraties pixabay)

Borreltaal

Borreltaal

Borreltaal (2019) (ill. pixabay)

Aan het einde van de Komkommertijd van 2016 nam onze minister-president Rutte als VPRO-Zomergast de straattaal over van een stelletje opgefokte Erdogan-aanhangers.

‘Pleur zelf op’, zei hij.

Want zij hadden ‘pleur op’ in de camera geroepen en daarna werd verdere uitzending door hun toedoen onmogelijk gemaakt.

In mijn kringen was ik de enige, maar hij haalde mij destijds met die straattaal de woorden uit de mond en zei er bovendien iets heel verstandigs achteraan over hun vrijheid van meningsuiting en onze vrijheid van pers en zo.

Onlangs bezigde hij op zijn wekelijkse mediamomentje wéér straattaal: hij ‘zou mensen die rond de jaarwisseling hulpverleners bedreigen het liefst persoonlijk in elkaar slaan.’

Maar hij zei er dit keer niets verstandigs achteraan. Want ‘maar dat kan niet’ valt voor mij niet onder goed doordachte argumenten. Evenmin de opmerking ‘dat we er als samenleving blijkbaar niet in slagen om kinderen en vrienden te zeggen dat dit niet kan’.

Als er nou i e t s is dat onmacht laat zien en je eigen verantwoordelijkheid wegduwt, dan is het wel het gebruik van ‘we’. ‘Samenleving’ dan, ook zo’n wegpoetslap voor eigen falen. Als iets de schuld is van de samenleving, is het niemands schuld. Want dan wordt niemand verantwoordelijk gesteld.

 

En die ligt er wel, Rutte: maak jij nou het werk van de politie eens makkelijker door een vuurwerkverbod te durven afdwingen.

Maar ‘verbieden die hap’ is taal die onze MP niet snel zal bezigen, kost teveel kiezers.

 

Wat Rutte bovendien deed was mee willen vechten, óók geweld willen gebruiken. En dan gauw zeggen dat ‘dat niet kan’. Nou, Mark, het k a n wel, maar het m a g niet.

Dat zeg ik als samenleving dan maar even tegen je, want ik ben je moeder niet en evenmin je vriend.

 

Een paar dagen later verraste de ooit zo vrolijke en nu zo chagrijnige MP weer, in Buitenhof deze keer.

Geen straattaal nu, maar kiezerswervende borreltaal over ‘de witte wijn sippende Amsterdamse elite, die alsmaar kritiek heeft op de Amerikaanse president Donald Trump.’

Ten eerste n i p je witte wijn. En je kan er eventueel bij gaan sippen.

Dacht ik. Maar een oplettende lezer attendeerde mij op het feit dat sippen een synoniem is van nippen. Bargoens zelfs, plat Amsterdams zelfs, volgens Jean Pierre Geelen in de Volkskrant van 16 januari 2019.

Maar dat verband met critici van Donald Trump?

 

En natuurlijk wéér zo’n onmacht-woord gekozen: ‘alsmaar’.

‘Van wie heeft de single Rutte dat machteloze relatie-ruzie-stopwoordje in godsnaam overgenomen?’, schreef ik in eerste instantie. En ja, dat is op de man spelen, zoals dezelfde oplettende lezer mij schreef. Dat is niet aardig. ‘Alsmaar’ en ‘altijd’ en ‘nooit eens’ worden  gebruikt bij onmacht en  niet alleen in partnerrelaties. Waarvan hier een voorbeeld.

Niettemin wordt het tijd dat Rutte stopt met sippen over zijn arme vrindje Donald en na het wegklokken van een goed glas witte wijn op pleurt.

Nog één keer een reden voor een weergaloos, laatste vuurwerk.

 

 

 

Straattaal

Straattaal

Straattaal (column uit 2016)

Wat er met mij, overtuigd sociaaldemocraat, aan de hand is weet ik ook niet. Maar ik ben eigenlijk wel blij met de opgewekte Rutte.

Of zijn opgewektheid te maken heeft met liberalisme, daar wil ik vanaf wezen, maar ik durf wel te constateren dat de ‘s’ van somber vaak samen sist met de ‘s’ van sociaaldemocraat. Ik spreek uit ervaring.

 

Misschien gaat het om het vermogen om op tijd even van stemming te wisselen.

Zwaarmoedigheid heeft de neiging er altijd te zijn en wordt hoogstens afgewisseld door een periode van wat mindere zwaarte.

Terwijl, zoals je bij Rutte kunt zien, een structurele opgewektheid iemand er niet van weerhoudt om af en toe eens even flink kwaad te worden. Bijvoorbeeld, zo liet hij zien in Zomergasten, op brutale snotneuzen van oorspronkelijk Turkse komaf die ‘pleur op’ roepen tegen journalisten en hen het werk onmogelijk maken.

En dan in je kwaadheid zeggen ‘pleur zelf op!’

Straattaal, ja. Niet passend voor een MP, ja. Zeg ik bij nader inzien, nu een paar jaar later.

Maar het nu volgende dan, namelijk als de boosheid zakt, weer opgewekt komen met een uitstekende rationele motivering?

“Jongens, luister: in Nederland, waar jullie wonen, hebben wij een rechtsstaat. Die garandeert de vrijheid van demonstreren -zelfs als dat, zoals bij jullie, vóór een dictator is. Een vrijheid waar jullie nou gebruik van maken, ja? Maar er is hier ook persvrijheid, die jullie nu op onbeschofte  wijze onmogelijk maken. Als je dat allemaal niet waardeert, krijg je in Nederland een probleem.” En in Turkije niet dus. Zeg i k er voor de duidelijkheid achteraan, want ik wijs mensen graag de weg.

Dat laatste hoor ik niet te zeggen natuurlijk, maar dat eerste hoorde ik niemand zeggen en dat had toch wel gemogen?

Rest mij de vraag: waarom blijven mensen toch zo op zoek naar de diepere lagen van een opgewekt mens als Rutte?

Krijg je te weinig te zien, of kijk je niet goed?

 

I k zie hier namelijk een premier die -weliswaar met een lach op zijn gezicht maar wél serieus- onze rechtsstaat verdedigt.

 

Diepere lagen hoef ik voorlopig even niet, hoor.

 

 

 

 

Thee. Met aandacht, graag

Thee. Met aandacht, graag

Thee. Met aandacht, graag (column uit 2015)

“Waar je aandacht aan geeft, groeit.” Voor mijn opleiding volgde ik een training ‘Oplossingsgericht werken met kinderen’ en deze zin bleef mij bij.

 

De praktijk leert namelijk dat, als je met de beste bedoelingen een probleem aanpakt, dat ding de neiging heeft juist te groeien. Terwijl je die groei eerder gunt aan de sterke kanten van een kind in ontwikkeling.

 

“Je bent méér dan je probleem”, leerde ik ooit, toen ik er zelf nog aan moest wennen dat het nou eenmaal af en toe wat minder gaat in het leven.

 

Wat dan wél te doen? Kort samengevat: een gediagnosticeerd probleem dat – als een onhandige, logge leunstoel- behoorlijk in de weg staat, wordt symbolisch ergens tegen een muur geplaatst. Niet helemaal uit het zicht, maar ook niet hinderlijk in de weg.

 

Zo ontstaat uitzicht en ruimte voor het kind, dat beter blijkt te kunnen functioneren zonder dat probleem vlak voor zijn neus.

Het ziet vaak zelf hoe het verder moet – zoals dat van nature gaat in de ontwikkeling van kinderen. En dát krijgt dan alle aandacht.

 

Het bovenstaande kwam in me op toen ik het onderwerp van deze column ging bepalen.

Parijs?

Of iets anders, het leven gaat toch door?

 

Allebei maar. Want Parijs gaat toch met me mee, of ik dat wil of niet.

De bijbehorende boosheid, afschuw en angst zet ik langs de kant. Die gevoelens zijn er wel, maar niet vlak voor mijn neus. Ruimte scheppen, dan kan ik beter kijken.

 

Nu ik dat doe denk ik toch heel helder te zien dat de moordenaars van Parijs zich weliswaar verschuilen achter de Koran en legitimeren met een IS-paspoort, maar dat ze allemaal uit Frankrijk komen -ja, óók de Syrië-gangers.

Ik zie verwaarloosde kinderen van verwaarloosde ouders en grootouders in de banlieux, verwijderd uit het gezichtsveld van de Franse overheid en politici, en daarmee uit de samenleving.

 

Kijk, dát is nou een manier van met problemen omgaan die ik fout vind: verwaarlozing.

Ten eerste zijn mensen mensen en die behandel je niet als problemen die jou in de weg staan, maar als mensen: je blijft met oprechte aandacht communiceren.

Ten tweede: als je met iets of iemand moeilijkheden ondervindt, erken en benoem het dan, dát getuigt van moed.

Want het werkelijke probleem is toch dat Frankrijk decennia lang niet wist wat ze aan moest met immigranten?

Iets niet weten is niet verwijtbaar, maar wél dat je het niet onderkent en de boel laat versloffen.

 

Hoe zit het in Nederland?

Ook hier zijn Syriëgangers. Enkele van hen zijn zelfs bekeerlingen, zoon of dochter van hoogopgeleide ouders met een oer-Hollandse achternaam.

Geprivilegieerde kinderen in een seculiere westerse samenleving ontwikkelen zich tot godsdienstige moordenaars, wel iets om in de gaten te houden…

 

Maar goed: de wijken waar veel moslims wonen, hoe gaat het daarmee?

Sommige wijken in de grote steden kennen zo hun problemen, maar de politie kan er nog altijd komen en daarvan is in menige Parijse voorstad geen sprake meer, begrijp ik uit de verhalen.

 

Er wordt door een enkeling nogal smalend gedaan over de lopende contacten met eerste, tweede en derde generaties immigranten die moslim zijn: ‘Lodewijk Asscher drinkt thee in de moskee, wat een watje’.

Nou, ik vind het een prima begin.

 

Of je familie hier nou al eeuwen woont, of je immigrant bent of vluchteling: mensen hebben aandacht nodig. Dan groeit het vertrouwen in jezelf, in elkaar én in de overheid.

Laten burgemeesters, wijkagenten, wethouders, vrijwilligers, raadsleden, buurtwerkers, taalcoachen en bewoners vooral doorgaan met af en toe samen theeleuteren! Daar is niks softs aan. Je kunt -zo nodig- een harde noot kraken bij een goed gesprek.

 

Het gaat uiteindelijk om het welzijn van elk individu, maar als je zo in het belang van de samenleving de kans verkleint dat een kind zich ontwikkelt tot een volslagen gestoorde om zich heen schietende (zelf)moordenaar is dat mooi meegenomen.

 

De wijken in, Hollande, dat is moediger dan oorlog voeren.

 

Bon courage, Monsieur le Président!

 

 

 

Oppassen met woorden

Oppassen met woorden

Oppassen met woorden (column uit 2015)

Ooit werd me geleerd op mijn woorden te passen in het uitgaansleven. Het potentiële gevaar was de feestende en vooral dronken medemens, die zich groepsgewijs door straten en kroegen rotzooide.

 

Later kwam daar het vliegveld bij: even geen grapjes over drugs en wapens, want dat is niet om te lachen. Bovendien mis je je vlucht omdat je in de bak belandt.

 

En nu moet je oppassen wat je tegen de politie zegt. Nee, dat is me te gemakkelijk.

 

Mitch Henriquez uit Aruba, op bezoek bij zijn familie in Nederland, maakte bij het verlaten van een festivalterrein een machograpje tegen een paar politiemensen: dat hij een wapen had. Hij wees daarbij op zijn kruis. De agenten zeiden hem dat je over wapens geen grapjes moest maken.

 

De festivalvierder kon het niet laten ze toe te voegen wie ze eigenlijk dachten dat ze waren. Ze waren agenten die daar hun werk deden, zou ik zo zeggen.

 

Mitch was, zei men later, een beetje aangeschoten. Ook geïrriteerd, omdat ze hem de hele tijd al in de gaten hielden. Dat is hun werk, denk ik wederom. Maar hij ging er vanuit dat het was omdat hij gekleurd was. Want in de media hoor je hoe racistisch de politie is.

 

Dat laatste zal ook bij de politie best voorkomen, want we hebben helaas allemaal vooroordelen over elkaar. En daar moeten we vanaf. Maar denken dat iemand je extra in de gaten houdt o m d a t je gekleurd bent, is óók een vooroordeel. En ik denk niet dat de dienstdoende agenten die ochtend van huis zijn gegaan met het vaste voornemen de eerste de beste gekleurde man die een grote mond geeft aan te pakken en desnoods met vereende krachten te wurgen.

 

Wel denk ik dat ze al langere tijd zwaar overspannen zijn. Ontregelende reorganisaties, rapporten over racisme, ervaringen met geweld tegen hulpverleners, gedonder met de CAO, hondsbrutale dronken burgers, denigrerende uitspraken over je IQ: je moet wel heel stevig in elkaar zitten en voor de rest een perfect leven hebben om dan nog ontspannen en fluitend naar je werk te gaan.

 

Volwassen geworden in de jaren zestig en zeventig, mocht ik de politie niet langer mijn beste vriend noemen. Dat was politiek verre van correct.

Hun vriendelijkheid werd in die dagen dan ook ernstig op de proef gesteld door langharige activisten met kortzichtige overtuigingen. Bijvoorbeeld de overtuiging dat je een betere wereld kreeg door elk gezag met ‘ludiek’ geweld te ondermijnen: huizen kraken, universiteiten bezetten, straatstenen gooien, barricades opwerpen en radiatoren op hoofden van politiemensen gooien. Allemaal voor een rechtvaardiger wereld.

 

Niet de aangevallen hoogleraren, kapitalistische projectontwikkelaars, Haagse politici en stadsburgemeesters hadden fysiek contact met de opstandige en ongehoorzame burgers. Nee, dat waren de politiemensen, die mochten het opknappen. Ook toen al.

 

Als je nou terugkijkt in de tijd, wat was er dan eerder: gebrek aan respect voor politiemensen omdat die zich tijdens hun werk misdragen en soms, zoals nu, afschuwelijke fouten maken? Of gebrek aan respect omdat het al decennia lang zo lekker, leuk en stoer is om ‘het gezag’ te treiteren, terwijl die mensen gewoon hun werk doen? Zeg ’t maar.

 

Het zwaarste verlies lijden de nabestaanden van Mitch Henriquez, en winnaars zijn er niet. Die verdomde nekklem zou verboden moeten worden, maar er is meer nodig.

 

Ik stel voor om voortaan e c h t  beter op elkaar te passen: jong, oud, autochtoon, allochtoon, blank, gekleurd, hoog- en laagopgeleid. Zonder uitzondering, zonder vooroordelen. En mét respect.

 

Dat is de les die ik geleerd heb van die ‘anti-autoritaire’ jaren zestig en zeventig, die verder veel goeds gebracht hebben.

 

Pas als respect van twee kanten komt, kan het een bijdrage aan een rechtvaardiger samenleving zijn.