Voetbalvrouwen 2.0

Voetbalvrouwen 2.0

illustratie pixabay

‘Show, don’t tell’ is een bekende schrijfregel. Dus dan zou ik hier nou van alles moeten schrijven, waaruit U dan gaat opmaken ‘goh, zou ze een vrouwenvoetbalfan zijn?’

Nou, dat kan dan korter: ja, ze is.

Ik vind voetbal sowieso wel leuk, maar ik had nooit geduld.

Al die kwalificatiewedstrijden en voorrondes bezorgden mij een plaatsvervangende moedeloosheid (‘we moeten nog zo veel’), die de spelers nota bene zelf niet eens hebben.

 

Maar er is bij mij in de afgelopen twee jaar iets veranderd: voor vrouwenvoetbal heb ik wél geduld. En ik kan ook tegen hun verlies. Makkelijk praten natuurlijk, dat laatste, want deze Oranjeleeuwinnen verliezen niets, ze hebben twaalf interlands achter elkaar gewonnen. Maar ik denk dus dat ik ze ook bij verlies trouw zal blijven volgen.

Dat blijf ik nu per slot van rekening ook doen bij belabberde voetbalmomenten en verre van goede wedstrijden. Er zijn daar voldoende van om dat te kunnen bewijzen.

 

Ik ben dan wel Oranjefan, maar ik word net zo enthousiast van het voetbal van Japan, de VS, Engeland en van de keeper van Chili, die gewoon een wonder van alertheid is.

 

Het zit hem hierin: het rolmodel.

Dan denken we natuurlijk aan hoe een succesvol Oranje een voorbeeld is voor karnemelk drinkende meisjes die boterhammen met pindakaas eten en door weer en wind naar de training fietsen waar ze in de slagregen een stevig balletje trappen tussen grote jongens die verbijsterd kijken hoe zo’n dribbelende kleine opdonder de bal gewoon afpakt en niet gaat huilen als ze een schop of een duw krijgt.

 

Nou, denk voortaan ook maar aan mij: ik ga niet op voetballen, maar Oranje is voor een vrouw op leeftijd óók inspirerend. Om daar elf leuke gedreven stoere wijven het snot voor de ogen te zien voetballen geeft mij een verademend vrouwbeeld.

Niks ten nadele van de originele ‘Voetbalvrouwen’ hoor, maar zelf voetballende vrouwen vind ik veel leuker dan die fraai verzorgde trofeeën van voetballende mannen. (Zouden de mannelijke partners van de Oranjeleeuwinnen Voetbalmannen heten? En de vrouwelijke partners dan weer Voetbalvrouwen?)

 

Vergelijkingen maken met mannenvoetbal -ik deed het nou zelf ook even – is aan de orde van de dag. Vrouwenvoetbal is voor sommigen niet om aan te zien: te langzaam, te rommelig, te weinig techniek. Dat zal allemaal best, maar het leuke is dat je dat ook gewoon kan zeggen, zonder dat er op lange tenen wordt gestaan. Ze zeggen het zelf al, als het niet goed gaat.  ‘Sorry dat de eerste helft er niet zo goed uitzag, maar nu hadden we nog wel energie voor de tweede. En we hebben gewonnen’, was het nuchtere commentaar van eentje.

 

Wat ook leuk is dat bij dit elftal coach én spelers gelijkwaardig met de pers praten, waarbij het geloofwaardig overkomt als ze er de nadruk op leggen dat het een teamprestatie is, ondanks hun individuele succes.

Gezonde ego’s in een gezond team, met een gezonde coach die in een blessurepauze vlak voor het eind van de verlenging gewoon gaat plassen omdat ze heel nodig moet na al dat watergedrink in die bloedhitte.

 

Is dat bij mannenvoetbal zo anders dan? Ze kunnen langer hun plas ophouden, dat wel. Ik weet het verder niet, maar waarom valt voetbalplezier m/v me dan nu pas op? Alleen omdat daar mensen met een vergelijkbaar lijf als het mijne lopen?

 

Ik ben niet van het omgekeerde minderwaardigheidscomplex: ‘vrouwen zijn beter’.

Vrouwenvoetbal is nu nog gewoon anders. Het moet nog wat meer in de genen komen door een serieuze competitie (zoals in Engeland, Frankrijk en de VS) en ik verwacht dat ze beter gaan voetballen en de achterstand op mannen zullen inhalen.

Hoe het er in Japan of waar dan ook aan toe gaat, weet ik niet, maar ik hoop dat in ieder geval Oranje zo opgewekt en nuchter zal blijven als nu: ook als ze de finale van het WK niet winnen, hun teamgeest en vechtlust zijn goud waard.

Houwen zo.

 

 

 

Waterland

Waterland

Misschien is het een teken dat het niet zo goed met me gaat, maar de laatste tijd zie ik mijn land af en toe met de ogen van een buitenstaander.

Dissociatie of zo, klinkt ernstig maar het bevalt uitstekend, kan niet anders zeggen.

Doorgaans zit ik binnen tegen een beeldscherm aangezogen.

Dat biedt een venster op de buitenwereld. Zeggen ze.

Maar volgens mij is het gewoon een echt scherm: ik zie de buitenlucht -met daaronder allemaal leuke dingen- niet.

Als ik zo aan het lezen ben (ook in de papieren krant, trouwens) ziet Nederland er voor mijn geestesoog ongeveer als volgt uit: asfalt en rails waar ernstige mensen overheen racen om te werken. En baksteen, waar ze werken en slapen en internetten.

En heel soms een klein beetje leven en liefhebben.

De rest van de wereld is voor mijn geestesoog heel groot en bepaald niet op orde en bijna iedereen maakt ruzie over geld en macht en land.

De aarde warmt op en daarover maken ze dan ook nog ruzie.

Dat dus.

Maar af en toe ga ik naar de echte buitenwereld.

Zaterdag voer ik op een klipper op het Markermeer.

Want hé, was ik toch helemaal vergeten dat er ook nog water was in Nederland!

Als ik door zo’n historisch stadje aan het water naar de boot loop, zie en proef en ruik ik vakmanschap en inventiviteit.

En ik ervaar een zekere trots, al weet ik niet of het de mijne is of de originele, uitgestraald door de eeuwenoude spullen van de trotse mensen die dit lang geleden gemaakt hebben: bootjes, dijken, ophaalbruggen, knusse huisjes, stoere forten en kastelen.

Ik ben trots op mijn Hollandse waterland.

En dan dat water zelf.

Het hangt er natuurlijk wel van af met wie je vaart (dat was in orde: lieve mensen), maar op het water word ik rustig en krijg ik gewoon een ruimere blik op de wereld. Je kan natuurlijk zuchten dat je nergens meer kunt kijken zonder horizonvervuiling, maar daar ben ik niet van.

Waarom mag je aan de verre rand van de natuur niet zien wat mensen gemaakt hebben?

 

Dit is een saaie column aan het worden. Want het was ook nog heerlijk weer. Het oer-Hollandse niet-te-koud-niet-te-warm-zonnetje-wolkje-windje-weer.

En -het moet niet gekker worden- heel normaal voor de maand van het jaar hier.

 

Er verandert veel, maar er blijft nog lekker best veel hetzelfde.

Er gaat nogal wat mis, maar niet alles.

Er is werk aan de winkel, maar uitrusten kan geen kwaad, kan je weer beter werken.

 

Ik was het met mijn troebele geestesoog bijna vergeten.

 

 

 

 

(foto’s L. Jonker)

 

 

 

Klimaatmars 10 maart

Klimaatmars 10 maart

illustratie pixabay

 

Afgelopen zondag was onze trouwdag.

Ik besloot -zoals aangekondigd– de Klimaatmars te lopen en Levensgezel L. besloot iets leuks te gaan doen met onze kleinzoon van twaalf.

 

De reden voor mij was om nou eens uit mijn linkse lethargische loomheid te herrijzen.

Valt niet mee nu ik ouder word en er was bovendien zeldzaam rotweer voorspeld.

Maar de meest op de bank terugdrukkende tegenwind was toch wel de zin over de zin: heeft demonstreren zin?

 

De anti-ideologische no-nonsensepolitiek vanaf de jaren tachtig heeft ervoor gezorgd dat voorloper Nederland op milieugebied gelijke pas ging houden met het buitenland. Of te wel dat Nederland de pas zó inhield dat we nu zelfs achterlopen, om het maar eens even no-nonsense te formuleren.

 

Terwijl het consumentisme zich wél doorontwikkelde.

Bij de bestudering van onderzoekspublicaties van 29.000 wetenschappers bleek in 97.1 procent daarvan aangetoond dat de consumerende mens een grote rol speelt in de opwarming van de aarde.

 

Die aarde draait wel door.

Maar nu er een verband wordt gelegd tussen consumptie (leuk voor de mensen) en klimaatverandering (niet zo leuk voor de mensen) hebben we de poppetjes aan het dansen in een toch ook wel weer vermakelijk stukje theater.

 

Komen eerst op: de ha-ha-niks-aan-de-hand-milieu-is-een-linkse-hobby-poppetjes.

Zo eentje is nu ergens president en ik ben blij dat ik daar niet woon.

 

Entree de mij-wordt-nooit-iets-gevraagd-en-ik-ben-ook-een-wetenschapper-poppetjes die zich kennelijk gepasseerd voelen bij bovengenoemd onderzoek.

Zo eentje zit nu in de Tweede Kamer het door hem zo geminachte partijkartel te doorbreken.

Met een nieuwe partij. Geheel cultureel verantwoord bespeelt hij op zijn werkkamer aldaar de vleugel en roept hij af en toe iets in het Latijn.

En dat het niet waar is, van die 97.1 procent.

 

Dan komen op: de paniek-poppetjes met de wervende leuze ‘het-is-eigenlijk-al-te-laat!’

Zo eentje schrijft boeken met titels als ‘Dit kan niet waar zijn’. Een prima boek over de wantoestanden in de financiële wereld overigens, maar de titel geeft al aan dat de schrijver een paniekvogel is, ook als hij  schrijft over het klimaat.

 

Tussen iedereen door op het podium lopen de vingerwijzer-poppetjes.

Die komen op van twee tegenovergestelde kanten.

Enerzijds de ha-ha-niks-aan-de-hand-poppetjes omdat het zo leuk is te zeiken over inconsequent gedrag (hypocrisie genoemd) bij wereldverbeteraars, anderzijds de strenge exemplaren van diezelfde wereldverbeteraars.  Als ouderlingen van een kerk lopen ze iedereen hardop hun zonden in te peperen.

 

Nou en dan loop ik daar ook nog een beetje het straatpodium op te gaan met een paar anderen: de-alles-goed-en-wel-maar-nu-ga-ik-iets-doen-poppetjes.

 

En wie kom je dan tegen in Amsterdam?

Je kleinzoon van twaalf die zijn moeder en opa had meegenomen.

 

Gewoon-een-hartstikke-lief-poppetje.

De mens is slecht/goed

De mens is slecht/goed

De mens is slecht/goed (column uit 2015)

Er is een nieuwe film uit gebracht: The Stanford Prison Experiment. Ik ga niet.

Het onderwerp is de wetenschappelijke studie van Philip Zimbardo uit de jaren zeventig, naar (on)menselijk gedrag in gevangenissituaties. Ga ik niet lezen.

 

Het is niet dat ik mijn kop in het zand wil steken voor de duistere kanten van de mens. Integendeel. Maar dan wel graag in perspectief: de mens bezit hoofdzakelijk goede kanten.

 

De al dan niet bedoelde impact van zo’n experiment is vaak dat daarmee aangetoond lijkt dat de mens in wezen slecht is.

 

Nou, als dat zo was zou ik hier niet zitten schrijven. Want dan was ik allang verongelukt wegens asociaal verkeersgedrag van een onverschillige medemens. Of aan een ziekte overleden omdat er geen goede artsen zijn, alleen maar enge dronken medicijnmannen. Of dan was ik op mijn hoofd geslagen en beroofd door één van die slechteriken, van die luilakken die te beroerd zijn om voor hun hebzucht te werken en te betalen.

 

Dit zal allemaal als wetenschappelijk bewijs niet gelden, maar praktisch voldoet het voor mij wel: voor een wereld die bevolkt wordt door wezens met een gevaarlijk slechte inborst, gaat het toch wonderlijk goed, niet waar?

 

Daarom trek ik die vermeende slechtheid van de mens in twijfel.

Eigenlijk ben ík de realist: de mens is in wezen prima, want anders zou er niet zoveel gewoon goed lopen in de wereld. Daarvan krijg ik energie om zaken die wél mislopen met goede moed onder ogen te zien. En aan te pakken. Zo simpel is het.

 

Het nadeel van zo’n ‘slechte menstheorie’ is niet alleen dat je er moedeloos van wordt en dat de kwaliteit van je individuele leven er op achteruit gaat.

Ook de kwaliteit van de samenleving lijdt eronder. Als de slechtheid van de mens als net zo ‘natuurlijk’ en onbeheersbaar wordt beschouwd als het weer of een natuurramp, verlies je pas écht de controle: gelatenheid en onverschilligheid is het resultaat en er gebeurt niks om verbeteringen aan te brengen.

 

En wat zegt wetenschapper Philip Zimbardo nu, veertig jaar later?

“Weet je: de laatste tijd kijk ik liever naar het goede in de mens.”

 

Kijk aan, fijn voor de mensheid.

Want ik vond het toch tamelijk bedenkelijk dat een Amerikaanse wetenschapper (in een sombere bui?) een experiment bedacht met zo’n grote impact op de persoonlijke levens van de betrokkenen en het mensbeeld van anderen.

Op zijn initiatief werden ‘gewone’ mensen -studenten- als ratjes in een laboratoriumsituatie geplaatst.

Hoe vooringenomen was die man? Was het een open experiment of was het zijn bedoeling dat aangetoond werd dat het onder bepaalde uitzonderlijke omstandigheden goed mis kan lopen tussen mensen?

Eh…ik weet niet hoe het met u zit, maar dat laatste wist ik al.

 

Dat het experiment vroegtijdig gestopt werd omdat het volledig uit de hand liep -oh oh, zie je wel, wat kunnen mensen toch slecht zijn- daarvan krijgt nog steeds ‘de mens’ de schuld.

En niet Zimbardo.

Misschien had de man wel een heel slecht experiment bedacht.

Dat denk ik namelijk.

 

Want in een echte gevangenis werken geen verklede studenten, maar ervaren mensen van allerlei leeftijden. En daar zitten gevangenen van alle leeftijden met een persoonlijke geschiedenis die heel wat triester is dan die van een verkleed studentje. De ‘bijzondere omstandigheden’ zijn slecht gekozen.

Kijk dan eens naar échte bijzondere omstandigheden: rampen, gijzelingen, terroristische aanslagen. En kijk wat er boven komt aan goede en slechte kwaliteiten.

 

Ik stel trouwens een ander experiment voor, een reallife-experiment, zonder verkleedpartijtjes.

Een groot aantal mensen, verdeeld over zoveel mogelijk sectoren in de samenleving, gaan in hun dagelijks leven, privé en openbaar, geduldig en vriendelijk met anderen om.

Twee dingen worden gemeten na afloop: de mate van persoonlijk welbevinden van de proefpersonen én het aantal conflicten dat op verbaal en fysiek geweld uit loopt. En dat vergelijken we dan met de situatie vóór het experiment.

 

Ik ben benieuwd.

 

 

 

 

Beschavingen

Beschavingen

Beschavingen (column uit 2015)

Het vluchtelingenprobleem zie ik niet alleen als een probleem vanwege het grote aantal onbekenden dat nu mijn vertrouwde omgeving binnenkomt.

Ik weet, als lid van een Europese samenleving, eerlijk gezegd niet zo goed hoe daarmee om te gaan. Die onzekerheid is het probleem voor mij en ik heb het vermoeden dat ik niet de enige ben.

 

‘Ben ik wel veilig? Kan mijn land dit wel bolwerken? Zitten er griezels van IS tussen die hier de boel gaan overnemen?’ Het voelt allemaal niet zo fijn.

 

Maar ik vertik het om te doen wat sommige anderen doen. ‘Ik bang? Onzeker? Ik gebrek aan zelfvertrouwen? Weg ermee! Die nieuwkomers, díe zijn niet te vertrouwen. Weg ermee!’

 

Sommige mensen krikken zelfvertrouwen en zelfbeeld nog verder op door ‘onze westerse samenleving’ beschaafder te noemen dan die waar vluchtelingen  doorgaans vandaan komen: Afrika, het Midden-Oosten, Azië.

Ik kan dat wel navoelen, maar ben het er niet helemaal mee eens.

 

Europa, als westerse samenleving, acht zichzelf beter georganiseerd, rechtvaardiger, vredelievender en minder gewelddadig dan de samenlevingen waar de vluchtelingen vandaan komen. Europa is beschaafd dus.

 

Klopt dat zelfbeeld? Ik hoop het… Maar hoe zit dat dan bij onze bondgenoot in de westerse beschaving, de Verenigde Staten?

 

Om ons te beschermen tegen ‘barbaarse terroristen’ uit het Midden-Oosten is daar bijvoorbeeld in 2002 Gevangenenkamp Guantanamo Bay ingericht.

 

In een vertrouwelijk rapport dat uitkwam in 2004 schreef Het Rode Kruis dat “de constructie van een dergelijk systeem, dat het verkrijgen van informatie als gesteld doel heeft, niet anders kan worden gezien als een vooropgezet systeem van slechte, ongebruikelijke en minderwaardige behandeling en een vorm van marteling.”

 

Het enige beschaafde hier is de nette formulering door het Rode Kruis. Want het regime in Guantanamo Bay klinkt mij met de beste wil van de wereld níet beschaafd in de oren: verdachten van terrorisme zonder vorm van proces gevangen houden en hen martelen om bekentenissen los te krijgen.

 

Als ik als Europeaan zou moeten kiezen: methode IS of methode VS? Of wel: met geweld bekeren of met geweld ondervragen? Dan weet ik het wel: geen van beiden.

 

Het is mij er niet om te doen angstgevoelens voor IS te relativeren of die voor de VS aan te wakkeren. Ook wil ik geen schuldgevoelens over de onvolkomenheden van de westerse samenleving opwekken.

 

Maar als we nuchter zouden erkennen dat onze samenleving lang niet zo rechtvaardig is als we wel zouden willen en als we onszelf dat eigen falen vergeven, maar er wel wat aan doen, kunnen we meer betekenen voor onszelf en mensen uit andere culturen.

 

Niemand heeft iets aan een opgeblazen westers ego, aan westerse arrogantie. En net zo min heeft iemand iets aan westerse schuldbewuste zelfvernedering en een laag mensbeeld.

 

Ik bepleit een realistisch kritische houding, begrip, mildheid en daadkracht, niet alleen ten opzichte van vluchtelingen, maar ook en vooral ten opzichte van onszelf.

 

Dat zorgt, als wij onze waarden en normen willen beschermen, voor gepaste bescheidenheid en daadkracht tegelijk.

 

Wel zo beschaafd, toch?

Realisme

Realisme

Realisme (column uit 2015)

Ik verklap het maar meteen:

als opiniemakers zoals René Cuperus in de V o l k s k r a n t van 7 september 2015 hun bijdrage leveren aan het debat over deze onvolmaakte wereld en daarmee laten blijken hoe wanhopig somber ze het inzien, haak ik af. Al zeggen sommigen: hij schetst de harde realiteit.

 

Vervolgens ga ik op zoek naar mensen die mij inspireren, moed geven. Het zijn de mensen die er goed tegen kunnen dat ze met het etiketje naïef/idealistisch/niet-realistisch op hun jas lopen. Voor zover ze dat al weten, want het kan ook achter hun rug op de achterkant geplakt zijn: LOL! (Voor de niet-ingewijden: dit is internet slang. Het betekent laughing out loud. Keihard uitlachen dus.)

 

Toen enkele maanden geleden, ik meen óók in de Volkskrant, een foto verscheen van een ontbijttafel met daaraan gezeten een Fries echtpaar met hun uit naastenliefde in huis genomen vluchteling, was er op Twitter grote hilariteit over de hagelslag, de jam, de beschuitjes en natuurlijk het uiterlijk van deze christenen: LOL! Soms snap ik daarom dat ‘de provincie’ een pesthekel krijgt aan ‘de randstad’ met zijn slechte manieren: religie is achterlijk, liefdadigheid belachelijk en dat moet je allemaal hardop zeggen.

Maar nu ben ik zelf aan het generaliseren, pardon. Generaliseren is een besmettelijke ziekte: als veel mensen het doen is de verleiding groot om het óók te gaan doen. En dan zou ik nu zeggen ‘kijk, dát is nou Nederland: vluchtelingen vragen om hulp en dan gaan we mensen uitlachen die iets goeds proberen te doen.’ Maar -realist die ik ben- ik weet dat niet iedereen zo is.

Nu de ellende als gevolg van oorlogen en armoede in de wereld deze kant op komt, raken veel mensen van streek, ik ook. En ik ben me ervan bewust dat ik op dit moment hevig worstel met de grenzen van nuchterheid en emotie.

 

Maar om nou in een verlammende somberheid weg te kwijnen en zo apathisch te worden dat ik niks meer kan doen, nee. Ik luister wel naar de pessimistische realisten hoor, uit beleefdheid.  Maar ik trek me op aan andere realisten, die de kracht van het woord gebruiken om te inspireren en te motiveren. Zoals bijvoorbeeld opiniemaker Bert Wagendorp, die van mening is dat de pessimisten ‘de drive van vluchtelingen om er iets van te maken onderschatten’.

 

Sombermensen, het spijt me, ik heb niks aan jullie. Dat is voor mij de harde realiteit.