Beschavingen

Beschavingen

Beschavingen (column uit 2015)

Het vluchtelingenprobleem zie ik niet alleen als een probleem vanwege het grote aantal onbekenden dat nu mijn vertrouwde omgeving binnenkomt.

Ik weet, als lid van een Europese samenleving, eerlijk gezegd niet zo goed hoe daarmee om te gaan. Die onzekerheid is het probleem voor mij en ik heb het vermoeden dat ik niet de enige ben.

 

‘Ben ik wel veilig? Kan mijn land dit wel bolwerken? Zitten er griezels van IS tussen die hier de boel gaan overnemen?’ Het voelt allemaal niet zo fijn.

 

Maar ik vertik het om te doen wat sommige anderen doen. ‘Ik bang? Onzeker? Ik gebrek aan zelfvertrouwen? Weg ermee! Die nieuwkomers, díe zijn niet te vertrouwen. Weg ermee!’

 

Sommige mensen krikken zelfvertrouwen en zelfbeeld nog verder op door ‘onze westerse samenleving’ beschaafder te noemen dan die waar vluchtelingen  doorgaans vandaan komen: Afrika, het Midden-Oosten, Azië.

Ik kan dat wel navoelen, maar ben het er niet helemaal mee eens.

 

Europa, als westerse samenleving, acht zichzelf beter georganiseerd, rechtvaardiger, vredelievender en minder gewelddadig dan de samenlevingen waar de vluchtelingen vandaan komen. Europa is beschaafd dus.

 

Klopt dat zelfbeeld? Ik hoop het… Maar hoe zit dat dan bij onze bondgenoot in de westerse beschaving, de Verenigde Staten?

 

Om ons te beschermen tegen ‘barbaarse terroristen’ uit het Midden-Oosten is daar bijvoorbeeld in 2002 Gevangenenkamp Guantanamo Bay ingericht.

 

In een vertrouwelijk rapport dat uitkwam in 2004 schreef Het Rode Kruis dat “de constructie van een dergelijk systeem, dat het verkrijgen van informatie als gesteld doel heeft, niet anders kan worden gezien als een vooropgezet systeem van slechte, ongebruikelijke en minderwaardige behandeling en een vorm van marteling.”

 

Het enige beschaafde hier is de nette formulering door het Rode Kruis. Want het regime in Guantanamo Bay klinkt mij met de beste wil van de wereld níet beschaafd in de oren: verdachten van terrorisme zonder vorm van proces gevangen houden en hen martelen om bekentenissen los te krijgen.

 

Als ik als Europeaan zou moeten kiezen: methode IS of methode VS? Of wel: met geweld bekeren of met geweld ondervragen? Dan weet ik het wel: geen van beiden.

 

Het is mij er niet om te doen angstgevoelens voor IS te relativeren of die voor de VS aan te wakkeren. Ook wil ik geen schuldgevoelens over de onvolkomenheden van de westerse samenleving opwekken.

 

Maar als we nuchter zouden erkennen dat onze samenleving lang niet zo rechtvaardig is als we wel zouden willen en als we onszelf dat eigen falen vergeven, maar er wel wat aan doen, kunnen we meer betekenen voor onszelf en mensen uit andere culturen.

 

Niemand heeft iets aan een opgeblazen westers ego, aan westerse arrogantie. En net zo min heeft iemand iets aan westerse schuldbewuste zelfvernedering en een laag mensbeeld.

 

Ik bepleit een realistisch kritische houding, begrip, mildheid en daadkracht, niet alleen ten opzichte van vluchtelingen, maar ook en vooral ten opzichte van onszelf.

 

Dat zorgt, als wij onze waarden en normen willen beschermen, voor gepaste bescheidenheid en daadkracht tegelijk.

 

Wel zo beschaafd, toch?

Realisme

Realisme

Realisme (column uit 2015)

Ik verklap het maar meteen:

als opiniemakers zoals René Cuperus in de V o l k s k r a n t van 7 september 2015 hun bijdrage leveren aan het debat over deze onvolmaakte wereld en daarmee laten blijken hoe wanhopig somber ze het inzien, haak ik af. Al zeggen sommigen: hij schetst de harde realiteit.

 

Vervolgens ga ik op zoek naar mensen die mij inspireren, moed geven. Het zijn de mensen die er goed tegen kunnen dat ze met het etiketje naïef/idealistisch/niet-realistisch op hun jas lopen. Voor zover ze dat al weten, want het kan ook achter hun rug op de achterkant geplakt zijn: LOL! (Voor de niet-ingewijden: dit is internet slang. Het betekent laughing out loud. Keihard uitlachen dus.)

 

Toen enkele maanden geleden, ik meen óók in de Volkskrant, een foto verscheen van een ontbijttafel met daaraan gezeten een Fries echtpaar met hun uit naastenliefde in huis genomen vluchteling, was er op Twitter grote hilariteit over de hagelslag, de jam, de beschuitjes en natuurlijk het uiterlijk van deze christenen: LOL! Soms snap ik daarom dat ‘de provincie’ een pesthekel krijgt aan ‘de randstad’ met zijn slechte manieren: religie is achterlijk, liefdadigheid belachelijk en dat moet je allemaal hardop zeggen.

Maar nu ben ik zelf aan het generaliseren, pardon. Generaliseren is een besmettelijke ziekte: als veel mensen het doen is de verleiding groot om het óók te gaan doen. En dan zou ik nu zeggen ‘kijk, dát is nou Nederland: vluchtelingen vragen om hulp en dan gaan we mensen uitlachen die iets goeds proberen te doen.’ Maar -realist die ik ben- ik weet dat niet iedereen zo is.

Nu de ellende als gevolg van oorlogen en armoede in de wereld deze kant op komt, raken veel mensen van streek, ik ook. En ik ben me ervan bewust dat ik op dit moment hevig worstel met de grenzen van nuchterheid en emotie.

 

Maar om nou in een verlammende somberheid weg te kwijnen en zo apathisch te worden dat ik niks meer kan doen, nee. Ik luister wel naar de pessimistische realisten hoor, uit beleefdheid.  Maar ik trek me op aan andere realisten, die de kracht van het woord gebruiken om te inspireren en te motiveren. Zoals bijvoorbeeld opiniemaker Bert Wagendorp, die van mening is dat de pessimisten ‘de drive van vluchtelingen om er iets van te maken onderschatten’.

 

Sombermensen, het spijt me, ik heb niks aan jullie. Dat is voor mij de harde realiteit.

 

 

 

Tram 22

Tram 22

Tram 22 (column uit 2015)

We verblijven in Praag en zijn daar niet de enigen. Je zou toch zeggen dat er ook mensen besloten moeten hebben deze vakantie n i e t hier naar toe te gaan.

Voorlopig hou ik het erop dat de meeste Britten, Fransen, Amerikanen, Spanjaarden, Italianen, Japanners, Chinezen, Duitsers er wél zijn. En wij dan met zijn tweeën, en de rest van Nederland.

Nou kan het zijn dat ik de wereld enigszins koortsig waarneem: de buitenboel is door de zon behaaglijk opgestookt tot 37 graden. In de schaduw.

Op de markt sta ik aan een kraampje-met-weefgetouw enkele handgemaakte warme shawls voor het thuisfront te kopen en ik wil niet weten wat de temperatuur in de zon is. Ik merk niet eens of ik het bij het afrekenen extra warm krijg, zoals normaal met vreemde valuta. Tsjechië heeft kronen en voordat Griekenland alsnog uit de euro stapt – of gegooid wordt – moeten de Europese leiders nog maar eens goed bij zichzelf te rade gaan. Want dáár kan het ook zo heet zijn. en dat is voor een reiziger héél oncomfortabel bij het omrekenen. Ik krijg wel hittekorting.

Levensgezel L. en ik besluiten Praag helemaal te bekijken, niet alleen het centrum. Dus nemen we tram 22, eerst helemaal naar links en dan helemaal naar rechts. Of helemaal naar het westen en dan het oosten, zeggen echte reizigers.

In het westen stappen we uit en we gaan op zoek naar een gelegenheid waar ik kan plassen en wij allebei wat kunnen drinken. We zien een driesterrenhotel en een parasol; dat moet goed komen. Eerst is er niemand door wie we gered kunnen worden, maar dan verschijnt er een robuuste, vriendelijke man van een jaar of 45 die Engels spreekt ­– in Tsjechië geen vanzelfsprekendheid. We vertellen over onze behoefte aan een drankje en terloops breng ik het toilet ter sprake. Maar hij ziet de urgentie en wijst me eerst de wc. De man kan niet meer stuk bij mij.

L. staat buiten de wc op me te wachten en vertelt dat de man ons heeft uitgenodigd in zijn bar, die eigenlijk nu gesloten is. Als wij ons drankje bijna op hebben, komt hij er even bij zitten en vraagt wat wij hier zoeken.

Om nou ‘avontuur’ te antwoorden, klinkt zo stom. Dus zeggen we dat we de 22 hebben genomen om héél Praag te zien. Kan hij ons hier iets aanbevelen? Hij aarzelt en zegt dan dat ‘The Castle’ hier niet ver vandaan is. Inderdaad, 20 minuten met de tram terug. Dat hebben we al bezocht, toen we in het centrum nog tussen een substantieel deel van de wereldbevolking liepen.

Het wordt tijd voor een wedervraag: hoe lang woont hij al in Tsjechië? Vanwege de grijzende rasta’s rond zijn diepzwarte vollemaansgezicht hebben wij het idee dat hij niet in Tsjechië is geboren. Dat klopt: 27 jaar geleden kwam hij uit Zambia hiernaartoe. Hij spreekt inmiddels ook Tsjechisch en heeft deze bar sinds kort gepacht. Daarvóór werkte hij aan de overkant van de straat, in een club. Erotic City, ik had al zoiets zien staan.

We betalen en nemen hartelijk afscheid, maar niet voor lang. Traditiegetrouw laten we overal iets hangen met waardevolle spullen erin. Zo ook nu. Dus we zien hem snel weer terug met het jasje van L. als we al op weg zijn naar de tram. Nu kan hij voor ons beiden niet meer stuk.

Om te ontdekken of er ook Tsjechen in Praag zijn, gaan we nu naar de rechterkant van de stad, het oosten bedoel ik. U hoort nog van me.