Feminisme en navelstaren

Feminisme en navelstaren

Feminisme en navelstaren (2016) (foto: de Rijk, speelgoedmuseum Praag)

Ooit had ik een buurvrouw die nogal dominant was.

Ze bezat de gave om alom aanwezig te zijn.

Vóór in haar huis, in een stoel voor het raam: je wist niet hoe snel je voorbij moest schieten.

Sommige mensen ‘tijgerden’ op het trottoir onder haar raam voorbij, maar zo lenig was ik niet. Bovendien hielp het niet, want  schijnbaar tegelijkertijd bevond ze zich in de achtertuin, commanderend over de schutting.

 

God zag alles, en als hij even sliep of op zoek was naar zijn bril, nam deze buuf zijn taak over: ze bemoeide zich óveral mee.

God sprak niet, zij daarentegen wel.

Ze verstond bovendien de kunst om te praten zonder tussendoor adem te halen, zodat je er geen woord tussen kreeg.

Ik kreeg de zenuwen van haar.

 

Nou, dát gevoel -dat er tot vér voorbij de grenzen van je privacy op je gelet wordt, dat niks mag en alles moet-, dat heb ik nou ook met de kledingvoorschriften van feministen.

Waarbij dan nog komt dat ik ze niet snap.

Als je dat laatste zegt, krijg je te horen dat er meerdere stromingen zijn.

Die dan wel één ding gemeen hebben: zíj weten hoe het zit en ík heb het maar te begrijpen.

 

Neem nou die column van feministe Asha ten Broeke.

Van haar mogen basisschoolmeisjes experimenteren met naveltruitjes zoveel ze willen en de school die -om misplaatst navelstaren te voorkomen- de truitjes verbiedt, lijdt volgens haar aan sletvrees. Want dat laatste is nu de feministische mode: sletterig is in.

 

Nou is de reden die de betreffende directrice geeft wel treurigmakend: ‘Ik wil niet in de situatie komen dat een meester de hele dag uitkijkt op meisjes zonder bh in strakke hemdjes.’

Meesters? Die zijn er toch nauwelijks? Trouwens: waarom alles nou altijd weer op die mannen gooien? Alsof er geen lesbische vrouwen in het onderwijs werken.

 

Maar dan nog.

Je hebt toch, los van seksuele frustraties van wie dan ook, nog zoiets als ‘passende kledij’?

Toen, meer dan twintig jaar geleden, mijn dochters in naveltruitjes en korte rokjes naar de middelbare school gingen, hintte ik voorzichtig dat ze naar school gingen, niet naar het strand.

 

Ik weet niet hoe het afliep, maar ik vermoed dat ze gewoon bleven dragen wat ze wilden, of liever, wat hun ‘peers’ ze voorschreven.

Lees ‘Het misverstand opvoeding’ van Judith Harris, of desnoods alleen de inleiding, en U weet wat ik bedoel.

Maar ik had het in ieder geval geprobeerd.

 

Overigens vind ik een mannelijke leerkracht in korte broek -lees harige benen- en blote voeten in sandalen óók niet gepast gekleed.

Maar de strijd ‘passende kleding’ en ‘esthetisch’ verlies je altijd, want alles moet kunnen, toch?

 

Nu de feministische dresscode.

In mijn jonge jaren moesten vrouwen -volgens feministen- beschermd worden tegen seksuele exploitatie dóór en wensen ván de hongerige man.

Feministen uit de jaren zestig en zeventig liepen derhalve bh-loos in tuinbroeken.

En mevrouwen in mantelpakjes met daaronder zorgvuldig uitgekozen lingerie van Hunkemöller-Lexis waren in hun ogen kapitalistische verraadsters die met hun onderdrukker naar bed gingen.

 

Ikzelf gaf niet om kleren dus ik zal er wel slordig genoeg hebben uitgezien voor een feminist.

Wél kroop ik met mijn onderdrukker onder de wol omdat ik het te ver vond gaan om gelegenheidslesbo te worden.

Toen daarvan natuurlijk kindertjes kwamen, kreeg ik het erg druk. Ik lette even niet op, en opeens zag ik om mij heen totaal anders geklede zusters in onze vrouwenstrijd.

 

De Zeedijk-look had, met name bij carrièrefeministen, zijn intrede gedaan -knalrode lippen, décolleté, kort rokje, zwarte nylonkousen en pumps of hooggehakte laarzen.

Zoals gezegd, ik gaf niet om kleding. Maar vervreemd van mijn zusters ben ik weer, net als vroeger, voor mezelf begonnen.

 

Want toen ik een jaar of zeventien was, sprak ik van de vrouwenstrijd als van een guerilla. Daarmee bedoelde ik dat je emancipatie zélf moest doen:

 

En vooral niet discussiëren of vergaderen, en al helemáál niet over kleren.

Gewoon je werk doen, in een bescheiden baantje.

En lekker kinderen krijgen, al was -én is- ouderschapsverlof en betaalbare kinderopvang uitermate kut geregeld.

 

Verdorie, dáár hadden die goed geklede dames in hun topbanen en hoge politieke functies zich wel eens wat meer voor mogen inspannen!

 

Maar échte navelstaarders zien zoiets niet.

 

 

Rammelen

Rammelen

Rammelen (column uit 2015)

 

In mijn thematuintje staat het in de luwte: opvoeden. Gevoelig onderwerp. Dat bleek ook toen Sheila Sitalsing er vorige week in Volkskrantmagazine over schreef. De Surinaamse “Roy,-ik-ga-jou-rammelen”-opvoedingsstijl werd in het zonnetje gezet. Om bijna onmiddellijk daarna terecht te komen in een Hollandse storm van verontwaardiging, want slaan is uit den boze, toch?

 

Sitalsing had “Waarom?Daarom!” van cabaretier Roué Verveer gelezen en daarin wordt het onderwerp nóg grappiger gemaakt door de Surinaamse stijl scherp af te zetten tegen de Nederlandse Fleurtje-ik-ben-niet-boos-maar-verdrietig-opvoeding.

 

Ons werd op een geestige manier een spiegel voorgehouden en dat kan nooit kwaad.

 

Toch schuurde het bij veel lezers, ook bij mij een beetje. Ik ken minstens twee volwassenen die in hun kindertijd zo’n exotische rammelopvoeding hebben mogen genieten, letterlijk. Ze waren trouwens oer-Nederlands.

 

En als je weet dat ook nú nog in elke schoolklas gemiddeld één kind zit dat thuis wordt mishandeld, dan is “Ik ga je rammelen” geen gelukkig gekozen titel voor een stuk dat gewoon een wat strakkere opvoeding (U zeggen, niet tegenspreken) wil propageren.

 

Als je als krant vervolgens kritiek pareert met te zeggen dat Volkskrantmagazine niet zo serieus bedoeld is, maak je er dan niet nét iets teveel een vermakelijk niemendalletje voor het weekend van?

De schuurplek werd door de ombudsvrouw van de Volkskrant én door columniste Sitalsing gelukkig erkend.

 

Los van het artikel voel ik nóg een schuurplekje.

 

Opvoeden is optreden, als dat voor kinderen nodig is. Maar soms lijkt het wel optreden als in een voorstelling: in supermarkt, trein, restaurant, op verjaardagen, camping en school zijn we elkaars publiek bij een stukje theater.

 

De acteurs laten zien hoe goed ze aan het opvoeden zijn. Demonstreren dat je niet over je laat lopen. Of dat je die geduldige moeder, die aandachtige vader, die fijne opa, die lieve oma en die ideale leerkracht bent. Allemaal voor de kinderen. Of voor elkaar?

 

Laat ik overigens eerlijk zijn: ik zou zo’n ‘verdrietige’ zeurouder graag eens willen…uh… rammelen.